Modderduivel

foto van een fossiele modderduivel in het Teyler's museum in Haarlem

De man op het strand

Als Marcela de man vindt ligt hij met zijn gezicht voorover op het zand. Er is wat zand tegen zijn magere ingedeukte billen gewaaid en er ligt ook al zand in de rij kuiltjes op zijn rug. Het lange haar zit vol klitten en er plakt zeewier in strengen op z’n schouders. De golven reiken nog net tot aan de bleke, gerimpelde voetzolen. Ze had hem al van ver zien liggen maar ze had niet meteen doorgehad dat het een mens was.

Ze zag wel dat er iets groots was aangespoeld en toen de vorm ervan duidelijker werd is ze steeds harder gaan lopen. De laatste tien meter rende ze en nu is ze naast hem op haar knieën gevallen en raakt voorzichtig met haar vingertoppen zijn rug aan. Zijn huid is koud en  plakkerig van het zout. Ze kijkt even of er echt niemand anders op het strand is en pakt dan resoluut zijn schouder en heup vast om hem om te draaien. Maar het lukt niet, het lijkt of hij vastgeplakt is aan het zand. Ze pakt de arm die slap tegen zijn lijf aan ligt om hem daaraan om te trekken en dan lukt het. Het lichaam lijkt nu bevroren in een elegante dansbeweging maar er is echt niks elegants aan deze drenkeling. Het is een zeebewoner die aangespoeld is in  een dodelijke omgeving zoals de lege schelpen, de weke kwallen en de breekbare krabben.

Op zijn gezicht zit zand geplakt, ze veegt het van zijn wangen en zijn mond maar dan stopt ze want ze herkent dat gezicht.  Koetoe! Wat ze ziet lijkt een onmogelijkheid want dit kan onmogelijk de man zijn op wie zij jaren geleden smoorverliefd was in Madrid?  Maar dan beweegt er iets in het gezicht en er gaat een rilling door het stijve, dunne en zanderige lijf. Marcela duwt een paar keer op zijn borst zonder goed te weten hoe ze dat moet doen en blaast haar adem in zijn mond. Als ze haar mond tegen zijn korrelige lippen drukt denkt ze: is dit diezelfde mond die ik toen heb gekust? Ze ziet hoe haar adem als belletjes tussen zijn lippen terugkomt, z’n borst beweegt, hij ademt! Hij voelt nog steeds koud en z’n vel heeft een vreemde grauwe kleur. Ze is zonder aarzeling bovenop hem gaan liggen, steunend op haar ellebogen. Het is om hem op te warmen maar onweerstaanbaar komen herinneringen terug . Het was alleen om hem op te warmen maar ze mag dat niet zo doen, boven op deze naakte man  liggen terwijl die machteloos op het strand ligt. Ze rolt weer van hem af en staat op en kijkt neer op het magere donkere lijf in het zand.

Wat is hij mager! En wat is z’n vel gehavend!  Kijk hoe z’n knieën eruit zien, vol schrammen en littekens, dat kreukelige kleine pikkie met die groezelige krulletjes, die rimpels in z’n hals en in z’n gezicht. Hij lijkt wel een oude man en ze kan niet geloven dat dit echt Koetoe is. Wat heeft hij gedaan om zo terug te komen?
Marcela sleept hem aan beide armen hoger op het strand en ziet de blauwe vlekken en lijnen van een tatoeage op zijn borst. Het is de kop van een salamander die naar achter kijkt, het lijkt alsof het beest zich naar haar heeft omgedraaid om haar aan te kijken. Koetoe blijft ademhalen maar zijn huidkleur is nog steeds violet als een donderwolk, de tatoeage steekt er nauwelijks tegen af.  Als ze haar hoofd op zijn borst legt lijkt de huid iets minder koud geworden en zijn borst beweegt nu in een teruggevonden ritme. Het betekent dat hij ademt en dat zij hem die levensadem heeft ingeblazen.

Ze wacht even, gaat nog even geen hulp halen en kijkt op hem neer en denkt: hij is van mij, ik kan met hem doen wat ik wil. Er is niemand die hier van weet en niemand die ons hier ziet.  Ik zou hem ook terug de zee in kunnen slepen, hem door de golven mee laten nemen maar dat doet ik niet. In plaats daarvan trekt ze haar jack uit en spreidt het over hem heen, duwt de mouwen in het zand en bedekt zijn magere lijf ermee.  Dat beschermt hem tegen het stuivende zand en de wind. En tegen de blikken van anderen, mensen die hem hier kunnen vinden. Dan loopt ze zo vlug ze kan naar huis om te bellen en onder het lopen galmt het in haar hoofd: het is Koetoe! het is Koetoe! het is Koetoe. Haar benen bewegen in het ritme van die woorden tot er een andere stem doorheen komt die zegt: het kan niet, het kan hem niet zijn, het is een andere man, hij lijkt op Koetoe maar hij is het niet en haar benen schakelen over naar dat ritme.  Als ze zo’n tweehonderd meter ver weg is stopt ze nog een keer en draait zich om. Ze ziet hem liggen als een donker streepje op het strand en boven dat streepje dansen witte stippen. Dat zijn meeuwen. Die hebben hem ook ontdekt. Dat zijn rotbeesten, met hun felle en ijskoude ogen, met hun scherpe snavels en hun hartverscheurend gekrijs. Misschien had ze haar jack beter over zijn hoofd kunnen leggen om z’n ogen en zijn mond te beschermen. Ze gaat rennen op het ritme van de stem in haar hoofd: Koetoe, Koetoe, Koetoe, net zo lang tot ze hijgend voor de zware staal-en-glas-deur van de hal staat.

Geen sleutels!

Die zitten nog in de zak van haar jack. Het voelt alsof ze moet huilen maar dat is idioot natuurlijk. Het licht achter de deur knipt aan en de benedenbuurman sloft naar de brievenbussen tot het gebonk van de handen van Marcela op het glas van de voordeur tot hem doordringt. Als hij haar nou maar herkent! De buurvrouw van een etage hoger. Gelukkig, hij recht z’n rug en loopt naar de deur en doet die voor haar open en halverwege zijn verbaasde vraag is Marcela al langs hem heen gerend, de trap op naar boven. Duizendmaal dank buurman!

Glad glanzend steen dat de geur van allesreiniger uitwasemt. Onder de mat voor de houten deur van haar appartement ligt de reservesleutel. Even later heeft ze de telefoon van de tafel gepakt en repeteert in haar hoofd de feiten die ze dadelijk moet vertellen aan de alarmcentrale. Ze spreekt rustig en houdt haar stem laag en legt kort en bondig uit waar de drenkeling ligt en beantwoordt dan hun vragen en dan is het genoeg. De laatste vraag: “Wat is uw telefoonnummer?” beantwoordt ze niet eens meer, ze verbreekt de verbinding. Genoeg is genoeg voor Marcela.

Ondertussen wordt de man op het strand langzaam wakker uit een diepe slaap. Hij is lang onder water geweest en daar was de Modderduivel. Die heeft hem gezegd dat hij onder water rustig moest blijven en niet naar lucht moet gaan happen. “ Wacht rustig, je gaat voelen hoe het water je voedt en je draagt, je moet voelen als een salamander.  Laat je rustig door het water omhoog duwen tot je hoofd erboven komt en pas dan haal je adem door je mond.” Hij heeft het precies zo  gedaan en het heeft hem gered van de dood. Hij weet niet of de vertrouwde stem van de Modderduivel van binnen kwam of van buiten, dwars door het lawaai van het stromende water, maar die stem heeft hem gered. Het leek of hij dood zou gaan maar dat is niet gebeurd. Meteen nadat zijn hoofd boven water kwam opende hij zijn mond en zoog lucht naar binnen en hij zag tegelijk het oranje vest vlak voor zich drijven. Daar heeft hij zich bovenop geworsteld en het heeft hem naar de kust gedragen.  Toen moet ook het touwtje van het amulet van de Modderduivel gebroken zijn want het amulet is er niet meer. Nu ligt hij op zijn zij in het zand en zijn lichaam voelt loodzwaar.

Warme handen hebben hem vastgepakt en hebben hem hoger op het strand getrokken. Er waren lippen op zijn mond en er is warme adem naar binnen geblazen. En een vrouw heeft zich boven op hem uitgestrekt en zich tegen hem aangedrukt maar nu is hij weer alleen. Zijn ademhaling gaat moeizaam, schuurt door zijn keel en als zijn borstkas beweegt doet dat pijn maar toch, langzaam ontspant hij. Het zand draagt hem en hij voelt hoe het leven heel langzaam in benen en armen terug komt kruipen.

De meeuwen die vlak bij hem landen en begerig langs hem heen en weer trippelen schrikken terug voor dat grote, levende lichaam en hij voelt hoe het nachtelijk duister als een dikke deken over hem heen wordt gespreid. In de verte mengt gebrom van motoren zich met het ruizen van de golven. Ineens wordt die deken door het felle licht van lampen weggerukt en is het motorlawaai  vlakbij. Hij voelt hoe hij stevig vastgepakt wordt. Vingers drukken op hals en pols en er schijnt een fel licht in zijn gezicht. Iemand schudt aan zijn schouder, roept iets wat hij niet verstaat maar dat alles maakt dat hij zijn ogen voorzichtig open doet. Hij knijpt ze meteen weer dicht door het felle licht dat er recht in schijnt. “ Ik ben Sholo”,  mompelt hij met schorre stem. Dat horen ze niet.

Hij wordt op een brancard gelegd en vast gegord en in een ambulance geschoven. Daar krijgt hij een zuurstofmasker op zijn neus en mond gedrukt en dringt de brandende lucht naar binnen die het leven in hem terugjaagt. De ambulance hobbelt over het strand en de hele weg naar het ziekenhuis van Algeciras zit er een verpleger naast hem die zijn  pols vasthoudt. Sholo houdt z’n ogen de hele weg dicht maar luistert scherp naar alle geluiden en stemmen. Spaans verstaat hij niet maar hij probeert te raden wat er gezegd wordt.

Marcela doet de telefoon in haar broekzak en rent naar buiten. Het is al donker geworden. Ze loopt voor de derde keer die dag hetzelfde stuk langs het strand en onderweg belt ze Oscar. Door haar gehijg en de slechte ontvangst kan ze zijn antwoord niet verstaan. Ze ziet lichten en bewegende figuurtjes op het strand. “Ik bel straks weer Oscar, ik leg het je allemaal nog wel uit…” roept ze en verbreekt dan de verbinding. Het zijn de koplampen van een Landrover van de Guardia Civil en het felle licht van een schijnwerper die twee mannen bijlicht. Ze zijn bezig om een brancard met daarop vastgesjord het magere donkerbruine lijf dat Marcela deze middag heeft aangetroffen aan de voet van de rotsen op het zand van Porros de Santa Marta het inwendige van een ambulance in te schuiven. Ze loopt langs de Landrover richting ambulance en wordt tegengehouden door een politieman.

“Wie bent u? Waar gaat u naar toe?”  Geen denken aan dat ze langs hem heen kan lopen naar de brancard die inmiddels in de ambulance is geschoven.  “Pardon meneer, mag ik even verdergaan om te zien hoe het is met die man daar? Die man die daar in die ambulance gedragen wordt?”  Nee dus.  Iets ongeduldiger nu:  “Dat jasje dat op hem ligt is van mij, ik heb hem gevonden en ben naar huis gegaan om jullie te bellen …”  Dan schreeuwend:  “Ik heb jullie zelf gebeld klootzakken! Laat me doorlopen….”

Ze kan net zo goed tegen de wind schreeuwen, of tegen de golven. De ambulancedeur blijft dicht. Als de ambulance gaat rijden probeert ze op haar tenen in het kleine verlichte kamertje achter in de ambulance te gluren. Ze zijn daarbinnen met hem bezig maar de raampjes zijn matglas, ze kan niks zien. Terwijl zij de vragen beantwoordt van de politieman verdwijnen de kleine rode achterlichten hobbelend in het duister van het strand.

Hij is weg.  Ze weet niet of hij nog leeft en de politieman die rustig zijn vragen blijft stellen zegt het niet.  “Kleding?”  “Hij had geen kleren aan.”  “Heeft u met hem gesproken?”  “Nee.” Hij was immers bijna dood? Of ja, in haar hoofd misschien, hele gesprekken.  “Waren er nog andere mensen of was u alleen op het strand?”  “Er was niemand. Niet voordat ik hem vond en niet daarna. Ik was alleen met hem en ik heb gedaan wat ik kon.”

Ze vertelt niet aan de politieman dat ze hem kent en dat ze weet hoe hij heet, geen denken aan. Ze weet niet meer of ze met hem heeft gesproken en of hij iets tegen haar heeft gezegd en wat en eerlijk gezegd ook niet waarom ze hem nu weer wil zien.  De politieman zegt, met een gebaar naar de auto die nog geparkeerd op het strand staat dat de collega’s er eerder waren. Dan sluit hij z’n boekje en zegt dan eindelijk iets dat lijkt op een gewoon, menselijk antwoord: “Ze brengen hem naar het ziekenhuis in Algeciras.”  Meteen er achteraan zegt hij: “Die gaat ons handenvol belastinggeld kosten” en gaat dan door over de overlast die de Afrikanen veroorzaken. Maar dat hij naar het ziekenhuis wordt gebracht kan niks anders betekenen dan dat het leven dat zij in hem heeft geblazen is blijven plakken. Dus dat Koetoe nog lag te ademen toen ze hier kwamen.

“Is mijn jack nog hier? Ik had mijn jack over hem heen gelegd” vraagt ze. De politieman draait zich om naar zijn collega’s om naar het jack van mevrouw hier te vragen en Marcela loopt ondertussen weg zonder te luisteren wat hij antwoordt.

Zij is geen bondgenoot van deze politieman maar soms zou ze willen dat ze het was. Ze zouden dan samen hier als wolven huilen aan het strand. Huilen naar de jagende wolken, naar de golven die het strand op komen rollen en verdronken jonge mannen daarop neer komen leggen. En ze zou zich niet meer zo alleen voelen.

Ze moet Oscar weer bellen. Oscar is een vriend van Angel en Angel is de man met wie ze tot een paar maanden geleden nog samenwoonde. Angel de dichter en dokter.  Zij was verliefd op de dichter maar de dokter heeft de dichter verdrongen. Na zes jaar samen heeft zij hem verlaten. Maar Oscar is haar vriend gebleven. Misschien begrijpt hij iets van deze draaikolk van gevoelens waar ze in gezogen wordt. Misschien helpt het als ze het hem uitlegt. Als Marcela een paar honderd meter verder is op het donkere strand belt ze. Hier kan die politieman niet mee luisteren. Ze moet schreeuwen anders verstaat Oscar haar niet want het bereik hier is beroerd. “Ik zit in een droom of in een nachtmerrie Oscar. Ik heb een man op het strand gevonden en ik weet wie het is. Ze brengen hem naar het ziekenhuis. Ik begrijp niet hoe het kan Oscar, ik kom naar je toe, o.k.? ”  Natuurlijk is het goed als ze komt. Het is altijd o.k., ze kan altijd bij Oscar komen. Ze loopt stevig door en voelt hoe de nachtwind nu meewerkt en haar zachtjes in de richting van het dorp duwt. Als ze zijn huis binnenkomt wil ze meteen gaan vertellen maar hij vraagt haar even te wachten. “Of moeten we meteen naar dat ziekenhuis, naar die man?” vraagt hij vanuit de keuken. Ze schudt haar hoofd. Als hij wijn heeft ingeschonken en er tapas op een schaal liggen zegt Oscar: “Vertel nu maar lieverd…”  “Die man die ik op het strand heb gevonden heet Koetoe. Eerst dacht ik dat hij dood was omdat hij met z’n gezicht naar beneden lag. Maar ik heb hem omgedraaid en ik heb kunstmatige ademhaling toegepast.” “En toen bleek hij toch te leven? Maar dat is geweldig! En wie is Koetoe? Ik geloof dat je nog nooit wat over hem hebt verteld.”  “Koetoe is een musicus en hij komt uit Senegal. Ik ken hem van vóór Angel daarom ken je hem niet.  Eigenlijk heb ik Koetoe maar heel kort gekend. Een jaar daarna ben ik verliefd geworden op Angel en jij bent er zelf getuige van dat ik jarenlang gelukkig met Angel was. Maar toch ben ik Koetoe in al die jaren niet vergeten. Ik heb hem daar op het strand achtergelaten om thuis een ambulance te bellen en daarna ben ik teruggegaan. De Guardias waren er al en zij vertelden me dat ze hem naar het ziekenhuis van Algeciras gingen brengen. Toen ze met praatjes begonnen over Afrikanen die we hier er niet bij kunnen hebben ben ik weggelopen en heb ik jou gebeld.” Even aarzelt ze maar dan zegt ze: “Ik ben wel gaan twijfelen of het wel zeker is dat het Koetoe is.  Hij heeft een vreemde blauwe tatoeage op z’n borst, die had hij toen nog niet. Maar dat is het niet alleen: hij ziet er ook zo veel ouder uit. Toen ik hem daarnet op het strand zag wist ik het zeker maar nu twijfel ik weer of het wel echt Koetoe is. Weet je, eigenlijk ken ik hem toch niet goed.“  “Hoe bedoel je?” “ ja, ik ken hem heel goed want, ja, hoe moet ik het uitleggen…. Oscar, deze man was mijn eerste grote liefde! Ik heb hem nooit kunnen vergeten, ik heb hem in mijn hart bewaard. Maar hij heeft me verlaten. Hij heeft me laten staan en heeft niks meer van zich laten horen. Zoveel jaren al! En er is zoveel gebeurd. Dus ja: ik ken hem heel goed! Maar ook ja!: misschien ken ik hem wel niet! Vind je het gek, wat ik nu zeg?”  “Zie je er tegenop om hem weer te ontmoeten? Wil je het eigenlijk wel?” ”Ja dat geloof ik wel ja”.  “Zal ik met je meegaan naar het ziekenhuis? “

Die Oscar. Wat is hij toch zorgzaam. Ze huilt en lacht en verbaast zich erover dat haar gevoelens over Koetoe zo sterk zijn.  Er is veel gebeurd daarna. Haar relatie met Angel, heeft die dan niks uitgewist van wat er was met Koetoe?  Ze vraagt zich af of ze verdrietig of boos is over wat hij haar toen heeft geflikt. Of dat dit allemaal komt doordat ze nu Angel ook kwijt is en ze weer alleen is. Het is een verwarrende mengeling van gevoelens die haar wakker houdt en die pas tegen de ochtend verandert in een onrustige droom.

Ze staat weer op het strand. Alles is spookachtig verlicht door de zilveren maan die hoog boven de zee staat. Het is stil, de branding is een wit oplichtende zwaar ademende streep in het donker en aan haar voeten ligt Koetoe. Hij is naakt en hij kijkt naar haar.  Ze gaat weer op hem liggen, net zoals ze dat ’s middags had gedaan, maar nu weet ze wat ze doet. Hij vouwt zijn armen om haar heen en zij voelt zijn lichaam onder zich wakker worden. Ze zucht en ontspant en voelt hoe haar kleren als vanzelf haar lichaam loslaten. Zo hebben de onzichtbare vingers van de zee Koetoe ook uitgekleed. Ze voelt dat zijn penis  zich opricht en het is alsof ze in haar studentenbed in Madrid is en hem weer omklemt met armen en benen. Ze voelt hoe ze  zacht wordt en haar lust groeit om hem naar binnen te halen, ze kust zijn gezicht en likt met haar tong het zout van zijn oogleden, ze grijpt zijn penis en leidt die naar waar het nu nat is. Ze duwt haar tong in zijn oorschelp en proeft daar het zout en voelt hoe hij nu in het zoute vocht in haar vagina glijdt. Het is alsof ze ondersteboven wordt gegooid door de branding, licht en donker is overal om haar heen en het bruisende water is overal. Hij heeft haar billen vastgepakt en ze beweegt op hem, duwt zich tegen zijn erectie en golft als een zeedier in een orgasme waar ze eindeloos lang op heeft gewacht. Ze wordt wakker. Het is al lang licht, het zonlicht heeft haar slaapkamer in een gloed gezet en ze geniet van het gevoel dat natrilt in buik en benen en billen, de golf van genot die door haar heen is gestroomd. Ze denkt nog even over de erotische kracht van het zeewater in haar droom en staat dan glimlachend op om te gaan douchen en zich klaar te maken.  Ze gaat Koetoe opzoeken in het ziekenhuis.

Marcela

Marcela was een echte idealiste toen ze met haar studie letterkunde in Madrid begon. Tijdens haar middelbareschooltijd in de provinciestad waar ze opgegroeid is was ze al politiek actief en toen ze ging studeren heeft ze zich aangesloten bij de jongerenafdeling van een politieke partij. Ze is als eerstejaars studente gaan strijden voor de rechten van de steeds maar groeiende stroom migranten. Ze zamelde spullen in en bracht die naar opvangplekken in het zuiden van het land. En toen ze ontdekte dat er ook veel Afrikaanse migranten in haar eigen stad Madrid kwamen zocht ze hen daar ook op. En toen op een avond is het gebeurd. Ze was zoals ze vaker deed naar het centrum van de stad gegaan en liep een beetje doelloos door een straat in een buurt waar veel Afrikanen woonden. Ze zag een groepje een zaaltje bij een parochiekerk binnengaan en liep hen achterna. Binnen zag ze een jonge man op een podium staan met een groot muziekinstrument en het leek toe alsof ze zijn woorden begreep . Hij zou gaan vertellen over de reis naar het Noorden en hij begeleidde zichzelf op zijn kora en de naast hem hurkende trommelbespeler speelde mee.  De taal waarin hij zong kon ze niet verstaan maar ze dronk zijn woorden op en ze voelde met hem mee. Het ging over de ontberingen van de reis door de woestijn, de vernederingen en het bedrog dat hij daarbij was tegengekomen. Over de gevaarlijke tocht over de zee en ten slotte, toen zijn voeten vaste grond onder zich voelden op het strand aan de overkant, de afwijzing. Ademloos had ze geluisterd en ook toen hij daarna een lang verhaal vertelde hing ze aan zijn lippen. Ze hoorde niet dat er om haar heen gewoon doorgepraat werd en dat alles doorging want het was voor Marcela of de tijd stilstond. Alles kwam hier bij elkaar: haar solidariteit met die mensen die in opstand waren gekomen tegen hun onrechtvaardige lot, de warmte waarmee zij opgenomen was in de kring, de Afrikaanse zanger die het wel speciaal aan haar leek te vertellen en die vreemde taal die op een onbegrijpelijke manier in haar hoofd begrijpelijk werd. Toen hij stopte en van het podium afstapte keek Marcela voor het eerst om zich heen. Bijna iedereen was weggegaan, het optreden had lang geduurd en er waren nog maar een paar mensen over. Zij, de zanger en de trommelbespeler en een paar van hun vrienden en die gingen ook al afscheid nemen. Maar de zanger liep naar haar toe en zei in het Frans: “Ik zie dat je bent gebleven. Wil je bij ons komen zitten?”  Natuurlijk wilde ze dat. Hij gaf haar een hand en stelde zich voor: Koetoe. De naam van de trommelbespeler was Jean-Claude en de twee andere vrienden heetten Mohammed en Issaï. Met zijn vijven gingen ze aan een tafeltje bij de bar zitten. Koetoe vertelde dat hij uit Senegal kwam, zijn vrienden waren allemaal Malinezen. Jean-Claude en Koetoe en Marcela dronken bier, de anderen dronken limonade. 

Jean-Claude vertelde dat ze de volgende dag met zijn allen naar het detentiecentrum bij het vliegveld zouden gaan. Om er te protesteren, muziek te maken en om hun gevangen vrienden te bevrijden.  “Ga je ook mee?” vroeg hij.  Natuurlijk wilde zij dat want dit waar ze naar op zoek was geweest. Morgenvroeg zouden ze elkaar weer zien en dan samen naar dat detentiecentrum gaan. De anderen stonden ook op om weg te gaan en alleen de drie bierdrinkers bleven nog achter tot ook Jean-Claude opstond en met een omhelzing afscheid van haar en Koetoe nam.

Koetoe sprak Frans en Marcela spande zich in om hem goed te verstaan en om ook Frans te spreken. Hij vertelde over zijn leermeester Djimo en de reizen die hij samen met hem had gemaakt. Zijn verhalen brachten een magische wereld voor haar tot leven.  Het ging over een rijk dat zich uitstrekt aan de andere kant van de woestijn waar oude koningssteden en heilige plaatsen zijn en elke dag pelgrims en handelaren uit alle windrichtingen arriveren. Door de rondtrekkende muzikanten worden al eeuwenlang verhalen verteld die het verleden en het heden met elkaar verbinden. Koetoe zei bescheiden dat hij zelf nog maar een beginnende muzikant was maar dat hij zeker wist dat hij dit zijn hele leven wilde doen.  “Maar waarom ben je dan naar Europa gekomen?” vroeg Marcela. “Ik moest uit Mali vluchten, er waren daar machtige mensen die mij dood wilden maken…” Wat er aan de hand was geweest durfde ze hem niet vragen en toen de beheerder kwam zeggen dat hij de zaal wilde sluiten zijn ze samen vertrokken. Ze liep naast hem de straat op en haar hart bonsde. Wat ging de nacht brengen? Ze wilde niet op haar telefoon kijken hoe laat het was, ze wilde de beslissing uitstellen of ze met de bus terug zou gaan naar de campus, naar haar flat of blijven bij Koetoe en ze liep mee langs de donkere hellende staten van Madrid. Ze sloegen een hoek om en kwamen in een smalle donkere straat met hoge huizen en voor een smalle deur bleef Koetoe staan. Het hele huis was donker en hij aarzelde. “Ik heb geen sleutel van de voordeur”, zei hij, “ik moet mijn vrienden wakker bellen, denk ik” en hij keek naar boven. Marcela haalde diep adem en zei ” Je kan ook bij mij slapen…” Ze gingen met de metro naar de campus aan de rand van de stad en in het trappenhuis, voor de deur van de flat die Marcela met haar vriendinnen deelde, trokken ze hun schoenen uit. Zij slopen om de andere meisjes niet wakker te maken ze naar haar kamer. Het was maar een kleine kamer en er was een hoop rommel op de grond. Boeken en schriften, kopjes en borden, kleren, een laptop. Koetoe wachtte bij de deur en Marcela realiseerde zich op dat moment toen ze hem daar zo zag staan, met zijn muziekinstrument op zijn rug en op zijn blote voeten, dat die indrukwekkende zanger van daarnet gewoon een jongen was die veel jonger was dan zij zelf. “Ik maak een bed voor je”, zei ze. Ze schoof vlug wat spullen opzij en legde een dikke deken op de grond, een eindje van haar eigen bed af. Ze dekte de deken met schone lakens, een slaapzak en het kussen van haar eigen bed.  “Hier kun je slapen”, wees ze Koetoe en toen sloop ze naar de badkamer die ze met de andere bewoonsters deelde. Daar keek ze lang naar zichzelf in de spiegel. Ze poetste haar tanden, maakt haar haar los, kleedde zich uit en bedacht onder de douche dat de nachtpon die ze eigenlijk nooit droeg nog op een plank in de kast in haar kamer lag. Ze sprak zichzelf toe in de beslagen spiegel: doe het nou maar Marcela. Dit is de jongen die je altijd al hebt willen ontmoeten. Hij is een kunstenaar, iemand met cultuur. Hij is leuk, hij heeft lieve ogen.  En wat zullen de anderen zeggen als ze hem morgenochtend hier in huis zien? Ze zullen zien dat ik een eigen leven heb, niet alleen een leven binnen de wereld van de universiteit en van het studentenleven. Mijn vriend is een Afrikaan, hij maakt deel uit van een wereld die zij niet kennen.  En ik wel… “. Ze bleef lang in de badkamer en deed toen de deur geluidloos open en liep naar haar kamer. Ze klemde haar kleren tegen haar buik en zag dat Koetoe al op de grond onder de slaapzak lag. Zijn muziekinstrument had hij tegen de muur gezet en hij had zijn kleren aangehouden, zijn ogen waren dicht.  Ze liep op haar tenen naar hem toe en gaf hem een kusje op zijn haar en stapte meteen met een grote stap naar haar bed, deed het licht uit en bleef nog een tijd met open ogen liggen luisteren naar de ademhaling van die jongen uit Afrika.  Ze liet alles wat hij haar verteld had nog eens langskomen: de griot Djimo, zijn lange reizen door Afrika, de grote moskeeën, de pelgrimsroutes, de geesten, de tocht door de woestijn en de overtocht op de boot naar Spanje. Overal zag ze Koetoe met zijn kora en zijn lange haren. En toen viel ze in een diepe slaap tot de volgende ochtend de zon haar wakker maakte. Het gordijn voor het raam was half dicht. Naast de opgerolde deken lagen twee keurig opgevouwen lakens en het kussen. Maar de kora stond nog tegen de muur en ze hoorde de douche in de badkamer. O! ik heb niks tegen de andere meisjes gezegd. Nou ja geeft niet, bij hen blijft ook wel eens iemand slapen. Ze bleef in bed liggen en hoorde de douche stoppen en even later de badkamerdeur. Toen kwam Koetoe binnen.  Hij was frisgewassen, zijn lange haren waren nat en hij had ze in een staart achterop zijn hoofd gebonden.  “Goedemorgen” zei hij stralend. “Ben je lekker wakker geworden?” Ze lachte: “ja en ik heb heerlijk geslapen”. Hij kwam op de rand van haar bed zitten en dat voelde vertrouwd. Ze keek hem verwachtingsvol aan. “Moeten we nu meteen naar het detentiecentrum?” vroeg ze. “O nee, nog lang niet. We gaan pas vanmiddag”, zei Koetoe, “we hebben nog uren de tijd”.  Haar hart bonsde. Het was niet de eerste keer dat ze met een jongen ging vrijen maar wel de eerste keer dat zij zelf het initiatief nam. “Dan kun je nog wel even bij me komen””, zei ze en trok hem naast zich. 

Koetoe strekte zich uit op het smalle bed en ze voelde hem door de dunne deken tegen zich aan. Ze rook de geur van de douchegel van haar buurmeisje die in de badkamer lag en dat vertederde haar. Ze legde haar arm om hem heen en kuste hem. Eerst op z’n haar en dan op zijn mond. Ze keek in zijn ogen en voelde zich verliefder dan ze ooit geweest was. Ze trok de deken van hem af en sloeg haar been over hem heen en drukte haar lichaam tegen hem aan. Hij streelde haar rug en liet zijn handen op haar billen rusten en liet toe dat zij hem uitkleedde. Zij bepaalde het tempo en ze maakte dat hun vrijen steeds feller werd. Ze voelde zich een leeuwin, een oersterke vrouw die hem verslinden wilde. Dan weer zacht voor hem was en hem alle ruimte gaf om haar te ontdekken en overal haar aan te raken, met zijn mond, zijn vingers, zijn warme handen en zij die hem overal toeliet en zich ontspande, zacht het gebeuren liet en zich verdrinken liet in zijn stroom van energie. Ze vrijden tot alle tijd om was en ze echt weg moesten en dat was meer dan vier uur later. Het was geweldig , het voelde of ze helemaal met licht gevuld was! Marcela had nog nooit zo heerlijk gevreeën en voelde zich verschrikkelijk trots op haar verovering. Ze zou hem wel aan alle andere studenten willen laten zien maar het bleef bij het buurmeisje van wie hij de douchegel had gebruikt, want die kwamen ze tegen toen ze haastig naar buiten stapten, de stad in.  Ze liepen dicht tegen elkaar aan met grote stappen naar de metro en vervolgens naar het huis waar Koetoe’s vrienden waren, het was of onder Marcela’s voeten veren zaten die maakten dat ze bij iedere stap iets de lucht in stuiterde. Ze waren er zo en het busje waarmee ze naar het uitzetcentrum gingen stond al klaar voor de deur. Drie uren daarna is op diezelfde plek Marcela’s wereld ingestort.

Het begin was perfect geweest. Marcela hoorde bij de groep en ze gingen samen proberen de gevangenen te bevrijden. Blij en opgewonden zat ze naast Koetoe tussen de anderen in het busje gepropt. Al ruim voordat ze er waren werd het busje gevolgd door een auto van de politie. “We worden bewaakt”, riepen ze tegen elkaar en dat klonk voor Marcela als een bevestiging dat ze op de goede weg waren. Want dit was de repressie van de Afrikanen waar ze zo vaak over gepraat had en nu voelde zij die zelf. Toen hun busje een eindje van de poort geparkeerd was rolden ze achter elkaar naar buiten, stijf van het dicht op elkaar zitten. Er waren vier trommels en Koetoe had zijn kora. Al trommelend vormden ze een kleine stoet die naar de toegangspoort optrok. De politie reed stapvoets achter ze aan. Ze werden koud maar dat deerde hen niet. Ze zongen een lied dat als een vrolijk strijdlied op de maat van de trommels klonk en Marcela zou willen dat ze het mee kon zingen. Ze waren maar met veertien mensen maar toch maakten ze geweldig veel lawaai, dankzij de trommels en de mannenstemmen. Ze kwamen bij de poort en twee van hen liepen samen als afgevaardigden van de groep naar de bewaker aan de toegangsdeur. Ze vroegen of ze naar binnen mochten om cadeautjes en brieven af te geven voor de familie en vrienden die binnen zaten. Ze werden meegenomen en voor de deur achter ze dichtsloeg, zwaaiden ze nog even vrolijk met de cadeaus in hun handen naar het groepje achterblijvers. Ze bleven erg lang binnen en de achterblijvers trommelden en zongen nog steeds om de moed er in te houden. Toen ze ongerust werden en dachten dat de afgevaardigden nu zelf ook gearresteerd waren kwamen ze eindelijk weer naar buiten. Hun handen waren leeg. Ze vertelden dat ze binnen hun papieren hadden moeten laten zien en dat ze precies moesten vertellen voor wie de cadeaus waren. Het verslag ging in een taal die Marcela niet verstond al herkende ze wel af en toe Franse woorden. Ze zag hoe gespannen Koetoe nu was en dat hij alleen af en toe vlug even naar haar keek maar als haar ogen zijn blik vingen wendde hij meteen zijn hoofd weer af. Wat was er aan de hand? Ze moesten weg, dat was duidelijk. Ze hadden daar nu niks meer te zoeken, ze zouden de vrienden niet kunnen bevrijden. Ze liepen stil terug naar het busje. Als Marcela Koetoe’s hand zocht had hij geen hand vrij. Hij praatte in het busje de hele rit terug heel dringend met een paar van de andere mannen en had geen aandacht voor Marcela. En toen ze bij het huis van Koetoe’s vrienden aankwamen keek hij eindelijk Marcela wel aan. “Ik moet nu meteen weg en ik heb geen tijd meer. Au revoir”, daarna stapte hij met zijn vrienden naar binnen en de deur ging achter hen dicht. Marcela stond als aan de grond genageld voor de dichte deur. Ze had nog nooit zo veel liefde gevoeld als deze morgen voor Koetoe en nog nooit was er zo hard een deur in haar gezicht dicht gegaan. Ze kon het niet begrijpen. Dat was haar ontmoeting met Koetoe geweest. Daarna is een keten van gebeurtenissen gaan groeien die nu, na zes jaar haar en hem weer bij elkaar gebracht heeft, hier op dit strand.

Het algemeen ziekenhuis van Algeciras (1)

Het Algemeen Ziekenhuis van Algeciras is een eenvoudig en vriendelijk gebouw. Alles straalt er toewijding uit. Toewijding aan het herstel van wie gewond is en aan de genezing van wie ziek binnen is gebracht. De mensen die er werken bewegen zich doelgericht over het terrein en als ze elkaar spreken doen ze dat met een gedempte stem. Iedereen is er vriendelijk en behulpzaam maar het is maar goed dat Oscar meegegaan is. Marcela zou nu aan de verkeerde personen verkeerde vragen hebben gesteld en daardoor tien keer verkeerd zijn verwezen. Oscar niet, hij trekt haar mee naar een balie in een zijvleugel van het hoofdgebouw waar boven de ingang in rode letters het opschrift Urgencias staat. Oscar vraagt aan de man achter de balie of er de afgelopen nacht een bijna verdronken jonge Afrikaan binnen is gebracht. Hij raadpleegt z’n computerscherm en bladert in een bureauagenda. 

“Ja dat kan, er is gisteravond een jonge man binnengebracht met de gevolgen van verdrinking.” Hij kijkt hen aan: “Wie bent u en wat wilt u met deze meneer?”  “Ik ben degene die hem op het strand heeft gevonden en ik heb de ambulance laten komen. Kunnen wij  hem bezoeken?”  

De man kijkt nu anders naar ze, met meer interesse en Marcela is zich er scherp van bewust hoe zij er uit zien. Zij erg onuitgeslapen, met ongekamde haren en rommelige, goedkope kleren. Ze heeft helemaal niet nagedacht over wat ze aan moest trekken, gewoon vlug iets gepakt. Oscar ziet er uit als een oude man met z’n lange grijze haren in een staartje gebonden, z’n met verfspatten bezaaide broek en z’n zware schoenen. Zo zijn ze: kunstenaars die zich op het platteland hebben teruggetrokken, levend buiten de hoofdstromen van het leven, ze steken af tegen de reinheid van het ziekenhuis. Maar de portier keurt hen goed want hij zegt: “Ik zal voor u gaan bellen. Ik weet niet of hij bezoek kan ontvangen, dat hangt van zijn conditie af.” Hij overlegt met iemand in het ziekenhuis en zegt: “Hij is nog niet in staat om bezoek te ontvangen maar vanavond kunt u wel even op bezoek gaan. U kunt dan rechtstreeks naar afdeling D-4 gaan, daar is hij opgenomen. U heeft zijn leven gered….”  

“Hij leeft Oscar!” zegt Marcela zo gauw ze buiten staan, ze knijpt hem in z’n arm. “Koetoe leeft en we kunnen vanavond naar hem toe! Je gaat dan toch wel mee?” “Laten we even wat gaan drinken bij de haven” stelt hij voor. Even later zitten ze in een ijssalon bij de haven. Bovenop de vitrine troont een porseleinen vaas met kleurige taferelen van Afrikaanse mensen in een tropisch landschap die bekroond is door een wulpse zilveren knop. Als ze zitten vraagt Oscar: “Ben je veranderd door die heftige ontmoeting met Koetoe waar je over vertelde?” 

Ja ze is veranderd. Ze weet nog zich dat ze echt geloofde dat zij de wereld zou kunnen veranderen,  ze geloofde dat ze de wereld beter kon maken en door Koetoe is zij dat geloof kwijtgeraakt. Het was alsof al die vluchtelingen voor wie zij al zo lang haar best deed door hem aan haar hadden gezegd: we houden van je. En toen hij na zijn optreden had gevraagd of zij nog bleef om wat te drinken met hem en zijn vrienden, toen voelde het alsof hij op dat moment namens al die anderen haar uitgestoken hand had vastgepakt. Maar een dag later heeft hij haar losgelaten en is hij weggegaan alsof er helemaal niks tussen hen was. Ja, het heeft haar zeker veranderd. Ze knikt. Oscar onderbreekt Marcela’s gedachten: “Misschien heb je je vergist en is het Koetoe helemaal niet. Met die mogelijkheid moet je ook rekening houden. Vanavond zullen we het weten.” 

Daarna praten ze helemaal niet meer over Koetoe. Het gaat over het licht op het water in de haven, de dansende vissersschepen langs de kade en de veerboot naar Marokko die net vertrekt. Oscar vertelt over de tentoonstelling waar hij zijn schilderijen voor aan het uitzoeken is. Die zal hier in Algeciras gehouden worden en hij is er al lang mee bezig.  Nog later gaan ze allebei apart nog wat de stad in en spreken af dat ze elkaar in de avond bij het ziekenhuis weer zullen treffen. Marcela slentert even later door Algeciras en verveelt zich te pletter. Ze heeft zin in koffie en duikt een donkere bar in. Het is smal en schemerig. De koffie smaakt goed, ze drinkt hem zwart, sterk en met suiker. Het helpt niet tegen de slaperigheid, het maakt alleen dat haar hart snel en onregelmatig begint te kloppen en dat ze onrustig in haar hoofd wordt. Ongericht onrustig, haar gedachten fladderen van het een naar het ander, nergens langer op gericht dan enkele seconden tot er iemand een hand op haar schouder legt. Ze kijkt op en ziet een onbekende, een man met grijze haren en een overdreven snor. Een soort Engelse pilotensnor denkt ze terwijl ze naar zijn schorre stem luistert: “Ik heb je daarnet gezien in het ziekenhuis. Je liep vlak voor me uit, naar Urgencias. Daar moest ik behandeld worden, m’n vinger is er af. Kijk maar.” Hij steekt z’n andere hand naar voren en het is waar: om een stompje waar normaal de ringvinger zit, zit strak een laag verband die stevig vastgeplakt is aan de hand. Ze gruwt van die gekwetste hand zo vlak voor haar gezicht, en van die andere hand die maar op haar schouder is blijven liggen en nu kan ze zich wel concentreren. Al haar gedachten cirkelen om de vraag: hoe kom ik zo snel mogelijk van die man af? Hij gaat zitten, vlak tegenover haar aan het piepkleine tafeltje, z’n knieën raken nog net niet de hare maar dat zal dadelijk veranderen, daar twijfelt ze niet aan. “Mijn koffie is op, ik ga er weer vandoor. Sterkte met uw hand;” zegt ze terwijl ze opstaat. Maar zo makkelijk komt ze niet van hem af. “Wat denkt u dat ze met die vinger van me hebben gedaan?” vraagt hij terwijl hij door snel een halve draai te maken nu zijn benen uitstrekt over het pad dat voor haar naar de uitgang leidt. “Wat denkt u? Het is mij ringvinger he….Gaat u zitten mevrouwtje, ik zal u vertellen over mijn huwelijk. Over de trouwring die ik meer dan veertig jaar aan die vinger gedragen heb. En hoe ik nu zowel vinger als ring als vrouw kwijt ben! Ja kijkt u maar: hij is echt weg. Ze hebben hem met ring en al in een koelkast gelegd voor me. Ze gaan die ring er af halen maar denk maar niet dat je die dan meekrijgt, als die van die vinger af is. O nee, die kan ik volgende week ophalen. ….. Dan zal ik wel heel wat formulieren in moeten vullen he. En denkt u dat ik ‘m dan volgende week in m’n zak zal kunnen laten glijden? Denkt u dat nou echt? U bent niet van Algeciras he?” Hij neemt even een korte pauze om een klein slokje te nemen van z’n cognac. Zo’n klein slokje dat Marcela begrijpt dat hij nog lang niet klaar is met z’n verhaal. Maar dit wil ze niet, ze wil dit niet aanhoren. Die kerel interesseert haar geen bal. Ze heeft weliswaar niet veel zin om weer verder te slenteren in de hitte van de middagzon maar ze laat zich ook niet hier ophouden door deze kletsmajoor, deze oude vos. “Pardon meneer, ik wil er langs! Kunt u uw benen even intrekken zodat ik er uit kan?” Ze voelt woede in zich opborrelen maar het lukt haar knap om dat te verbergen.

“Het is een prachtige ring, pas op!” mijmert hij zonder z’n benen een millimeter te verplaatsen. “Niet dat we daar mee begonnen hoor. O nee, we begonnen met van die hele smalle ringetjes, niet eens van goud maar van verguld zilver. Maar deze ring heb ik pas een paar jaar geleden voor haar gekocht. ’t Zal nu een jaar of acht, misschien wel tien jaar geleden zijn. Een prachtige ring: witgoud en met een mooie groene steen er in. Een smaragd uit Colombia. Prachtige ring, mooi gemaakt. Niet hier in Algeciras, nee, ik heb ‘m aan de overkant laten maken. Daar, bij de moren, daar zitten de allerbeste edelsmeden. Ja, die kunnen er wat van hoor. Die smaragd had ik wel zelf meegenomen anders weet je niet wat ze er in zetten.” Hij nam nu weer een even klein slokje cognac als daarvoor. Marcela zag dat z’n glas nog wel toereikend zou zijn voor wel zes van die muizenslokjes. Ze besloot dat ze maar naar zijn verhaal zou gaan luisteren. Het maakte haar ineens allemaal niks meer uit, er as toch niks waar ze de komende uren naar toe zou moeten gaan en in deze bar zouden ze even lekkere bocadillos leveren als in welke andere bar in Algeciras ook. Dus, kom op maar met je verhaal over hoe je je vinger, je ring en je vrouw bent kwijtgeraakt. En ze liet zich weer op haar stoel zakken en natuurlijk draaide de snor mee en nu zat hij wel met zijn knieën tegen haar knieën. Het mankeerde er nog maar aan dat hij haar hand vast ging pakken, dacht ze en verborg meteen beide handen onder de tafel.



4 gedachten over “Modderduivel”

  1. Het verhaal is heel boeiend en spannend, maar ik beleef als lezer ook wel een beetje iets wat lijkt alsof je een proef- ritje maakt met een auto die veel te snel optrekt. Het tempo van vertellen ligt hoog, ik was zelf nog niet helemaal klaar voor de modderduivel helemaal in het begin, en vraag me af hoe Marcela er uitziet. Zou je dat aandurven om in de ik-vorm te vertellen, jij als Marcella?
    Hoop dat je mijn reactie in je voordeel kunt gebruiken!!!

    Like

    1. Dank je voor je waardevolle commentaar. ik hoop dat hoofdstuk 2 de boel weer heeft afgeremd. Marcela kan niet ‘ik’ worden. Dat zal denk ik in het vervolg wel duidelijk worden.

      Like

      1. Mooi om een boek in wording te kunnen volgen, je hebt mij aan ook aan het schrijven gezet, ben aan een verhaal bezig (of meerdere) Een enorm geploeter! Steven King zegt hier over: “Soms ben je goed bezig, zelfs als je het gevoel hebt dat je in een zittende houding stront aan het scheppen bent” ( de positieve lading is dat je dat strontscheppen kan zien als bemesten, het vruchtbaar maken van de aarde.)

        Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.